Spinale verdoving
Hier wordt door middel van een ruggenprik de onderste lichaamshelft verdoofd. Met een fijne naald zal de anesthesist tussen de ruggenwervels prikken en een verdovingsmiddel inspuiten in het vocht dat zich rond het ruggenmerg bevindt. Deze prik doet meestal niet meer pijn dan de prik die men krijgt bij een bloedafname en kan zowel in zittende als liggende houding gebeuren. Behalve een verdoving veroorzaakt deze inspuiting ook een verlamming van de benen die blijft duren zolang de verdoving werkt. Het is een snelle, eenvoudige techniek voor korte ingrepen onder de navel.
Als je voor spinale anesthesie kiest, kan er nog medicatie gegeven worden waardoor je wat doezelt of in een lichte slaap valt (een sedatie). Dit is niet hetzelfde als een algemene verdoving, maar biedt patiënten die niet alles bewust willen meemaken wel het nodige comfort.
De eerste uren na de operatie zal je de onderste helft van je lichaam niet goed kunnen bewegen. het plassen kan daardoor tijdelijk moeilijker gaan dan normaal. Eens de verdoving is uitgewerkt, zal je opnieuw je onderlichaam kunnen bewegen en normaal kunnen plassen.
Epidurale verdoving
Hier gaat de anesthesist via een ruggenprik het verdovingsmiddel net buiten het omhulsel van het ruggenmerg inspuiten. Bij de epidurale verdoving duurt het wat langer (ongeveer 15 minuten) voor de verdoving optimaal werkt. Bij deze techniek kan de anesthesist beslissen om een katheter (dit is een zeer dun buisje) in de ruimte rond het ruggenmerg aanbrengen. De anesthesist kan beslissen om een pijnpomp aan deze katheter te koppelen waardoor men de patiënt - tot zelfs een paar dagen na de operatie - pijnverdoving kan toedienen. Via deze pijnpomp kan je zelf, indien je na de ingreep nog pijn zou hebben, een bijkomende dosis pijnstilling vragen door op een knopje te duwen.